wp06881dc5.png
wpfcfacb72.png
wp2dc92b1e.png
wp349c0071.png
wp165a09ec.png

 

Persbericht betr. Batzorgel in de Nieuwe kerk.

 

Een foto impressie van de orgelrestauratie.

 

Restauratie Bätzorgel Nieuwe Kerk 

De vermaarde Utrechtse orgelbouwer Jonathan Bätz en zijn compagnon Christian Gottlieb Friedrich Witte bouwden het instrument in de jaren 1837-1839. De restauratie is gericht op conserverend herstel van de toestand waarin het instrument in 1840 werd opgeleverd. De later toegevoegde windvoorziening en de dispositiewijzigingen blijven behouden. Orgelbouwer en -restaurateur Pels & Van Leeuwen uit ’s-Hertogenbosch voert de werkzaamheden uit. Orgeladviseur Aart Bergwerff begeleidt de restauratie. Het project maakt deel uit van de grote restauratie, herinrichting en uitbreiding van de Nieuwe Kerk en zal naar verwachting duren tot halverwege 2017.

Geschiedenis
Het Delftse orgel is het laatste van de drie grote orgels –met drie klavieren en pedaal– die Jonathan Bätz gebouwd heeft. Bij de eerste twee orgels –die van de Ronde Lutherse Kerk in Amsterdam en de Domkerk in Utrecht– ontwierp de Brusselse architect Suys de kassen, in Delft kon Bätz naar eigen inzicht aan de slag. Dat werd een ontwerp in neo-renaissancistische stijl. In 1865 wordt de oorspronkelijke rosélila kleurstelling, passend bij het neo-renaissancistische ontwerp van de kas, vervangen door de kleur imitatie-eiken. Ook vindt er groot onderhoud plaats door de firma Bätz-Witte, onder leiding van de compagnon en opvolger van Bätz, Christian Gottlieb Friedrich Witte. Witte brengt onder meer verschillende dispositiewijzigingen aan. In 1881 voert zijn zoon en opvolger Johan Frederik Witte schoonmaak- en herstelwerkzaamheden uit en worden de frontpijpen opnieuw gepolijst. In de eerste decennia van de twintigste eeuw wordt er regelmatig aan het orgel gewerkt door orgelmaker J. van der Kleij uit Rotterdam.

Restauratie 1923-1938
Tijdens de grote restauratie van de kerk in de jaren 1923-1938 –onder architectuur van ir. Herman van der Kloot Meijburg, zie extra informatie onderaan­– vonden grote veranderingen plaats, die ingrijpende gevolgen zouden hebben voor de klank van het orgel. Zo werd het in vroeger eeuwen tot de trekbalken verlaagde gewelf in het middenschip verwijderd en het oorspronkelijke houten tongewelf gereconstrueerd. De galerij in de noorderzijbeuk verdween, evenals de grote gordijnen die het koor afsloten. De muren werden ontpleisterd en er werd in verband met het aanbrengen van een eikenhouten tochtportaal een nieuwe ondersteuning voor het orgel aangebracht. Die ondersteuning bestond uit een zware onderslagbalk op dubbele U-profielen, in de stijl van het orgel verborgen in klassieke pilasters. Ook het orgelfront werd terdege onder handen genomen. Zo werd het houtwerk opnieuw geschilderd, waarbij de sinds 1865 bestaande kleurstelling werd gehandhaafd, omdat die uitstekend paste in de visie van de architect. Tenslotte werden de frontpijpen van deuken ontdaan en schoongemaakt. In juli 1937 werden al deze werkzaamheden afgerond.

Klank
De ontpleistering van de kerk had grote gevolgen voor de klank van het orgel. In de loop van de tijd werden diverse aanpassingen gedaan om het gebrek aan goede akoestiek te boven te komen. Zo werden in 1950 bij de restauratie van de kerktoren de oorspronkelijke zeven spaanbalgen verwijderd en vervangen door een nieuwe magazijnbalg op het orgelbalkon. Verdere orgelrestauraties vonden plaats in 1959 door de fa. Sanders en Zn. uit Utrecht en in 1975 door Gebr. Vermeulen uit Weert en D.A. Flentrop uit Zaandam.

Noodzaak nieuwe restauratie
De nieuwe restauratie is broodnodig en de plannen ervoor liggen er al jaren. Al in 1996 stelde toenmalig adviseur dr. Hans van Nieuwkoop een eerste rapport op. Door de eerder genoemde ingrepen zijn de orgelpijpen klanktechnisch ver van hun oorsprong verwijderd geraakt. Verder is de conditie van de orgelkas matig. Het orgel is in- en uitwendig vervuild. Ook de windkanalen zijn aan herstel toe: de lijm is erg droog geworden, met lekkage als gevolg. De conditie van de verschillende windladen is eveneens matig en die van de speelmechanieken van het hoofdwerk zelfs uitermate slecht. Er is veel speling en frictie ontstaan op de draai- en aangrijppunten. Ook de speelmechanieken van het bovenwerk zijn niet best. De conditie van het pijpwerk is matig tot redelijk. Er is stemschade aan de bovenranden van de metalen pijpen en lekkage op de lijmnaden van de houten pijpen. De frontpijpen zijn sterk vervuild en de orgelkassen hebben dringend een verfbeurt nodig.

Frontpijpen
Het is de bedoeling bij de komende restauratie de orgelpijpen weer zo oorspronkelijk mogelijk te laten klinken. Verder worden de speeltechnieken geoptimaliseerd en de balgen en windladen hersteld. De magazijnbalg op het orgelbalkon verhuist naar het binnenwerk van het orgel, zodat er op het balkon weer ruimte is. Daarbij worden de hoofdkas en de orgelvloer in oorspronkelijke staat hersteld. De ernstig vervuilde frontpijpen worden gereinigd en de kassen van hoofd- en rugwerk geschilderd, opnieuw in de kleur imitatie-eiken. Deze kleur werd tijdens de vorige restauratie door Van der Kloot Meijburg gehandhaafd. Bij de huidige restauratie en herinrichting wordt de visie van Van der Kloot Meijburg (zie extra informatie onderaan) als uitgangspunt genomen. Daarom wordt ook het orgelfront opnieuw in deze kleur geschilderd. Doordat de banken in het middenschip van de kerk door stoelen worden vervangen en looppad van toren naar koor terugkeert, zal de akoestiek ook worden verbeterd.

De restauratie van het orgel kost 400.000 euro. Onder meer het Prins Bernhard Cultuurfonds en Fonds 1818 leverden een bijdrage.

 

Restauratievisie Van der Kloot Meijburg
Voor de vorige grote restauratie van de Nieuwe Kerk formuleerde architect Herman van der Kloot Meijburg een restauratievisie in de lijn van het gedachtegoed van Jan Kalf, destijds directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg. Waar zijn voorganger Pierre Cuypers en diens Franse voorbeeld Eugène Viollet-le-Duc het herstel van de middeleeuwse architectuur nastreefden, propageerde hij in navolging van Kalf een visie waarin restauratie werd voorgesteld als een hedendaagse kunstzinnige, architectonische opgave.

Van der Kloot Meijburg stelde dat de kerk in eerste instantie een hoge kunstwaarde had, in tweede instantie een hoge oudheidkundige waarde en pas in derde instantie een hoge herinneringswaarde.

De restauratie uit de jaren dertig is in lijn met die opvattingen uitgevoerd. Dit heeft tot een aantal ingrijpende beslissingen geleid: het herstel van de architectonische eenheid van de ruimte in het interieur, het weghalen van de kroonluchters en het meubilair, het ontpleisteren van de kerkmuren en het toevoegen van eigentijdse decoratieve elementen, zoals de schildering van het gewelf, de glas-in-loodramen en de gebeeldhouwde hoekstenen boven het grafmonument van Willem van Oranje.

Van der Kloot Meijburg componeerde van historisch en hedendaags materiaal een nieuw “Gesamtkunstwerk”. Hij liet een uitgebalanceerd kunstwerk na waarbij alle elementen meewerken aan een ragfijn en fragiel evenwicht. De architect van de huidige restauratie, Van Hoogevest Architecten te Amersfoort, is tot de conclusie gekomen dat de ingrepen van Van der Kloot Meijburg in het kerkgebouw van de allerhoogste kwaliteit zijn en zich niet laten ontkennen. Teruggrijpen op eerdere tijdslagen zou het samenspel in het kerkgebouw verstoren, aldus de architect. “De jaren dertig laag heeft een volledig eigen kwaliteit in artistieke en ruimtelijke zin. De Nieuwe Kerk kan als moderne reactie op de middeleeuwse schoonheid van de Oude Kerk te Delft worden gezien.”

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Van Hoogevest Architecten en de Protestantse Gemeente te Delft besloten daarom om het Gesamtkunstwerk van de jaren dertig als fundament te nemen voor de huidige restauratie, herinrichting en uitbreiding.

 

Bron: website oudeennieuwekerk.nl